Bomen van het Prins Hendrikpark:
De witte paardenkastanje en de tamme kastanje
Evenwijdig aan de Westenburgerweg staat een rij paardenkastanjes, Aesculus hippocastanum. Het zijn robuuste exemplaren, geweldig. De witte paardenkastanje is te herkennen aan zijn hartvormig blad: vijf tot zeven blaadjes vormen één blad. De bloeiwijze toont tien centimeter rechtopstaande bloemen, 'kaarsjes', wat in mei een overweldigende indruk maakt. Vanaf de Kasterenwal heb je dan zicht op een lang lint van duizenden kaarsjes op de Van der Weeghensingel. Als je een takje afbreekt, zie je dat dit op de boom een hoefijzerachtig litteken achterlaat.
Voor de bestuiving zorgen bijen en andere insecten. De bolster van paardenkastanjes is hard en stekelig. De bolster van de rode cultivar heeft geen stekels: die is glad. In de Munteltuinen is een dergelijk exemplaar te zien.
Hoe robuust de bomen ook zijn, soms worden ze aangetast door een bladmineerder, die gangen maakt in het bladmoes en zo veel schade aanricht. De plantkundige dienst in Wageningen heeft ook nog een bacterie ontdekt die schade veroorzaakt. Gelukkig staan ze er in ons park en aan de Van der Weeghensingel nog goed bij.
In het park bij de Westenburgerweg staat een vrijstaand exemplaar van de tamme kastanje (Castanea sativa), nog jong, maar hij groeit gestaag. En hij is met zijn volle kroon met blad en stekelige bolsters een echte blikvanger: fotogeniek. In de bolsters zitten steeds drie kastanjes die uitlopen in een spits puntje. 'Wilde' kastanjes zijn rond en glad.
Deze tamme kastanjes zijn eetbaar: men kan ze poffen of meteen opknabbelen. Het blad is enkelvoudig, langwerpig en scherp getand; de bast is spiraalvormig schors met ribbels.
Kevers, vliegen en hommels zorgen voor de bestuiving. Leuk om te weten: gemalen kastanjes werden als meel ook aangewend in gebak en koek.
We danken het aan de Romeinen dat deze fraaie boomsoort vanuit Zuid-Europa in ons land gekomen is. Plaatsen met vrijstaande tamme kastanjes zijn onder andere de Pettelaar, het Reeburgpark in Vught en landgoed de Wamberg in Berlicum.
Bob Cremers